Art. 346, lid 1, b) VWEU biedt lidstaten een krachtige uitzonderingsgrond om wegens essentiële veiligheidsbelangen af te wijken van de interne markt, maar die speelruimte is niet onbeperkt. In een recent arrest van de Raad van State werd precies die grens onder de loep genomen (RvS nr. 265.758).
De verzoekende partij voert aan dat de overheid art. 346, lid 1, b) VWEU heeft miskend, omdat de mededingingsregels op de interne markt vooraf niet werden gerespecteerd. Volgens haar heeft dit ertoe geleid dat haar de mogelijkheid om zich kandidaat te stellen werd ontnomen. Zij beargumenteert dat de uiteindelijke beslissing bovendien onvoldoende werd gemotiveerd.
Daarnaast wijst zij erop dat de betrokken munitie ook door civiele schutters kan worden gebruikt en dus niet exclusief voor militaire doeleinden is bestemd. In haar visie heeft de opdracht daarom geen betrekking op de productie of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel in de zin van art. 346, noch is zij louter gericht op de bescherming van essentiële veiligheidsbelangen.
Tot slot benadrukt de verzoekende partij dat het partnerschap ook economische belangen dekt die niet onder de uitzonderingsgrond vallen en dat de opdracht uit meerdere ‘hoofdonderdelen’ bestaat. Al deze onderdelen zouden - onterecht - volledig aan de normale mededinging zijn onttrokken.
De Raad volgde dit standpunt niet en motiveerde als volgt.
Met het oog op de bevoorradingszekerheid beschikt de Belgische staat over een bijzonder ruime beoordelingsmarge om dwingende maatregelen te nemen en om bestellingen voor defensie te laten voorgaan. Wapens en munitie hebben naar hun aard een specifieke militaire bestemming en zullen in het kader van deze opdracht ook uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt.
Omdat de verzoekende partij niet concreet aantoont dat er, naast die militaire, ook een reële civiele bestemming bestaat, kan haar stelling dat het partnerschap de mededingingsverhoudingen op de interne markt zou verstoren, niet worden gevolgd. Wapens, munitie en oorlogsmaterieel raken wél aan de essentiële veiligheidsbelangen, zodat de Belgische staat terecht mocht afwijken van de normale mededingingsregels en de beslissing op dit punt voldoende is gemotiveerd.
Daarnaast richt art. 346, lid 1, b) VWEU zich op primaire veiligheidsbelangen, maar sluit het secundaire economische effecten geenszins uit. Tussen alle onderdelen van het partnerschap bestaat bovendien een sterke verwevenheid, waardoor een succesvolle en coherente uitvoering enkel kan worden gegarandeerd als één en dezelfde operator instaat voor het geheel. De Belgische staat hanteert dus terecht een systeembenadering en de verzoekende partij slaagt er niet in de pertinentie van die keuze te weerleggen.
Dit arrest laat mooi zien waar de grens loopt: art. 346, lid 1, b) VWEU geeft geen carte blanche om de mededinging uit te schakelen maar wél een stevig juridisch anker wanneer een opdracht exclusief voor militaire doeleinden is bestemd en rechtstreeks raakt aan de essentiële veiligheidsbelangen. Dit betekent dat, waar de staatsveiligheid primeert, de interne marktregels moeten wijken.
Zelf vragen over overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied? Wij helpen u graag verder!
Gerelateerd nieuws:
Hoe kunnen we helpen?
Ontdek onze expertises