In een arrest[1] van 4 juni 2026 verduidelijkt het Hof van Justitie wanneer een overheidsopdracht nog als “lopend” kan worden beschouwd voor de toepassing van artikel 72 van Richtlijn 2014/24/EU (in België: art. 38 t.e.m. 38/6 KB AUR).
In beginsel moet een nieuwe overheidsopdracht opnieuw aan mededinging worden onderworpen. Artikel 72 van Richtlijn 2014/24/EU laat slechts in beperkte gevallen een wijziging van een lopend contract toe zonder nieuwe plaatsingsprocedure, bijvoorbeeld wanneer die mogelijkheid vooraf duidelijk is voorzien, wanneer bijkomende prestaties noodzakelijk blijken of wanneer het om beperkte aanpassingen onder de geldende drempels gaat. Essentieel is dat er geen sprake mag zijn van een wezenlijke wijziging en dat de aanpassing gebeurt zolang de opdracht nog loopt.
In het arrest stond een opdracht van de Oostenrijkse Bundesimmobiliengesellschaft (BIG) centraal voor elektrotechnische werken op een schoolcampus, gegund aan Fiegl & Spielberger GmbH. Tijdens de uitvoering brak brand uit op de campus, waardoor een aanzienlijk deel van de oorspronkelijk geplande werken niet meer kon worden uitgevoerd. Fiegl voerde uiteindelijk alleen de resterende werken uit. Die werden volledig afgewerkt, door BIG definitief aanvaard en gefactureerd (al was de eindfactuur nog niet betaald).
Omdat de opdracht door de brand sterk in omvang was verminderd, stelde Fiegl een schadevordering in tegen BIG. De partijen bereikten vervolgens een akkoord. Fiegl zou haar vordering intrekken, en BIG zou bepaalde elektrotechnische werken die oorspronkelijk in de opdracht waren opgenomen maar door de brand niet konden worden uitgevoerd, alsnog door Fiegl laten uitvoeren zonder nieuwe aanbestedingsprocedure. Intussen had BIG evenwel ook een afzonderlijke overheidsopdracht voor herstelwerken uitgeschreven, die werd gegund aan een andere speler, Strominator Elektro GmbH. Strominator verzette zich tegen de latere toewijzing aan Fiegl en stelde dat sprake was van een nieuwe opdracht die opnieuw aan mededinging had moeten worden onderworpen.
De nationale rechter schorste de zaak en legde drie prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie. De eerste, en voor het verdere verloop doorslaggevende, vraag was of artikel 72 van Richtlijn 2014/24/EU nog toepassing kon vinden wanneer de contractuele prestaties al waren uitgevoerd, definitief waren aanvaard en de eindfactuur was uitgereikt, maar nog niet was betaald. Met andere woorden: kon de latere toewijzing van die bijkomende werken nog gelden als een wijziging van de oorspronkelijke opdracht tijdens de looptijd ervan, dan wel ging het om een nieuwe overheidsopdracht waarvoor opnieuw moest worden aanbesteed?
Het Hof vertrekt van de vaststelling dat artikel 72 enkel kan worden toegepast zolang de opdracht nog loopt. De richtlijn definieert het begrip “looptijd” evenwel niet. Daarom onderzoekt het Hof niet alleen de bewoordingen van de bepaling, maar ook de context en het doel ervan.
Daarbij merkt het Hof op dat men vanuit een louter contractenrechtelijk perspectief zou kunnen aannemen dat een opdracht pas volledig is afgelopen wanneer alle verbintenissen zijn uitgevoerd, met inbegrip van de betaling. Voor de toepassing van artikel 72 volgt het Hof die redenering echter niet. Het benadrukt dat deze bepaling betrekking heeft op wijzigingen tijdens de uitvoering van de opdracht en dus in de eerste plaats ziet op de prestaties van de opdrachtnemer en de aanvaarding daarvan door de aanbestedende dienst.
Vervolgens wijst het Hof op het uitzonderingskarakter van artikel 72. De bepaling laat weliswaar een zekere flexibiliteit toe tijdens de uitvoering van een opdracht, maar vormt tegelijk een uitzondering op de algemene regel dat een nieuwe opdracht opnieuw aan mededinging moet worden onderworpen. Daarom moet zij strikt worden uitgelegd. Indien de betaling van de eindfactuur beslissend zou zijn voor de vraag of de opdracht nog loopt, zou de aanbestedende dienst de toepassingsduur van artikel 72 immers naar eigen inzicht kunnen verlengen door betaling uit te stellen. Dat zou moeilijk verenigbaar zijn met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling.
Het Hof besluit dan ook dat de looptijd van een overheidsopdracht in de zin van artikel 72 eindigt zodra de opdrachtnemer zijn contractuele prestaties volledig heeft uitgevoerd, de aanbestedende dienst die prestaties definitief heeft aanvaard en de eindfactuur is ingediend. Dat die factuur op dat moment nog niet is betaald, doet daaraan geen afbreuk. In deze zaak betekende dat dat de oorspronkelijke opdracht niet langer liep, zodat BIG zich niet meer op artikel 72 kon beroepen om de bijkomende werken zonder nieuwe plaatsingsprocedure aan Fiegl toe te wijzen. De eerste prejudiciële vraag werd dus ontkennend beantwoord, waardoor de overige vragen niet meer hoefden te worden onderzocht.
Dit arrest bevestigt dat het wijzigingsregime van artikel 72 strikt moet worden geïnterpreteerd. Zodra een opdracht feitelijk is uitgevoerd, definitief is aanvaard en gefactureerd, kan een aanbestedende dienst zich in beginsel niet meer op die bepaling beroepen om bijkomende prestaties zonder een nieuwe plaatsingsprocedure toe te wijzen. Het uitblijven van betaling van de eindfactuur verandert daar niets aan.
Wilt u nagaan of een wijziging van een lopende opdracht nog mogelijk is zonder nieuwe plaatsingsprocedure of had u graag meer duiding bij de gevolgen van het besproken arrest? Wij adviseren u daar graag over.
Deze tekst werd geschreven door Tugce Altintas en Lisa Haenen.
[1] Hof van Justitie (5e k.) nr. C-820/24 van 4 juni 2026 (Strominator Elektro GmbH / Bundesimmobiliengesellschaft mbH).
Related news:
Hoe kunnen we helpen?
Ontdek onze expertises